Noord-Hollands Archief

> Geschiedenis Aalsmeer


Aalsmeer in 1738, door Cornelis Pronk
"Aalsmeer, te Zien van 't Oostende", door
Cornelis Pronk (1738).

 

Geschiedenis van de gemeente Aalsmeer

De naam Aalsmeer wordt voor het eerst vermeld in 1133 in een oorkonde waarin gravin Petronella, weduwe van de Hollandse graaf Floris de Dikke, enige inkomsten en landerijen gelegen in ‘Alsmar’ schenkt aan het vrouwenklooster te Rijnsburg. In latere bronnen wordt Aalsmeer op diverse manieren geschreven; Aelsmer, Alesmar, Alesmare, Ailsmair, Alsemaria en Aelsmeer. Over de herkomst van de naam Aalsmeer wordt verschillend gedacht: het meer van Al, het Allesmeer, het meer met elzenbossen of het meer dat rijk is aan aal. De Aalsmeerders zelf houden het op de laatste betekenis getuige het gemeentewapen van Aalsmeer met zijn klimmende leeuw die een aal in zijn poten houdt.

Aalsmeer is ontstaan als een nederzetting van ontginners die in de elfde en twaalfde eeuw begonnen zijn met het ontwateren van de enorme veenvlakte tussen de strandwallen langs de kust (de oude duinen) en de zandgronden van het Gooi en de Utrechtse Heuvelrug. Door de daling van het maaiveld als gevolg van inklinking en oxydatie werd het echter steeds moeilijker graan te verbouwen en moesten de Aalsmeerders noodgedwongen overschakelen op de veeteelt. Al vroeg zijn de bewoners ook begonnen met het vervenen van hun weilanden, zoals onder andere blijkt uit de rekeningen van de graven van Holland uit de 14de eeuw. Daarin worden diverse keren  bedragen genoemd die zijn uitgekeerd aan Aalsmeerse turfstekers voor leveranties van wagens turf.

Ter gelegenheid van een nieuw in te voeren belasting moesten in 1514 alle steden en dorpen in Holland informatie geven over hun financiële en economische situatie. Het dorpsbestuur van Aalsmeer verklaarde toen onder ede dat hun ambacht 80 woningen telde, waarvan er 25 werden bewoond door lieden die te arm waren om belasting te kunnen betalen. De belangrijkste bronnen van inkomsten waren het delven van turf, het snijden van riet en het houden van koeien.

De Hervorming en de Tachtigjarige Oorlog zijn niet onopgemerkt aan Aalsmeer voorbij gegaan. In 1534 werden twee Aalsmeerders in Den Haag op de brandstapel gezet op beschuldiging van wederdoperij. Tijdens het beleg van Haarlem door de Spanjaarden tussen 1572 en 1573 probeerden de Aalsmeerders, die inmiddels de zijde van Willem van Oranje hadden gekozen, de Haarlemmers te bevoorraden met turf en vis. Het kwam hen duur te staan. Het Spaanse opperbevel stuurde een strafexpeditie naar Aalsmeer. Het dorp werd geplunderd en in brand gestoken. Ook het oude archief is toen in vlammen opgegaan, zodat over de vroegste geschiedenis van Aalsmeer weinig tot niets bekend is. Na het vertrek van de Spaanse troepen namen de hervormingsgezinden in Aalsmeer op hun beurt wraak. De katholieken moesten hun Sint Petrus- en Pauluskerk afstaan en voortaan genoegen nemen met een schuilkerkje in een boerderij aan de Oosteinderplas. Ook in Kudelstaart en Kalslagen werden de katholieken gedwongen te kerken in eenvoudige, onopvallende woningen.

De explosieve groei van Amsterdam tijdens de Gouden Eeuw had een gunstige uitwerking op de wijde omgeving. Dagelijks begaf zich vanuit Aalsmeer een sliert schuiten beladen met turf, vis, groenten en fruit richting Amsterdam, waar de lading werd uitgevent of op de markt verkocht. Tegelijkertijd ontdekten de Aalsmeerders een nieuw gat in de markt: het kweken van bomen en heesters voor de riante tuinen achter de Amsterdamse grachtenhuizen en voor de buitenplaatsen van deze gefortuneerde grachtenbewoners langs de Amstel, de Vecht en in Kennemerland. Enkele van deze kwekers specialiseerden zich in het knippen van buxus- en taxusstruiken in allerlei geometrische vormen en dierengestalten.

Menig Aalsmeerder verdiende dus een aardige boterham aan Amsterdam. Maar ondertussen werden zij wel in hun voortbestaan bedreigd, enerzijds door het Haarlemmermeer, anderzijds door de desastreuze gevolgen van het turfsteken. In de vijftiende eeuw was het nog mogelijk van Aalsmeer over land naar Hillegom of Heemstede te lopen. Eind zestiende eeuw kon dat niet meer, omdat enkele meren zich hadden verenigd tot het Haarlemmermeer. In 1650 besloeg dit meer ongeveer 14.500 hectare, twee eeuwen later ruim 18.000 en was het water tot op een 150 meter genaderd van het dorp. In 1600 scheidde nog een brede strook van twee kilometer Aalsmeer van het water. Om te voorkomen dat Aalsmeer hetzelfde lot zou ondergaan als de dorpen Vijfhuizen, Burgerveen, Rijk en Nieuwkerk, die in het Haarlemmermeer waren verdwenen, werd in 1767 besloten de vanwege de overheersende zuidwestelijke wind kwetsbare oostoever  te bedijken tussen Oude Wetering en Rietwijkeroord.

Behalve het Haarlemmermeer werd Aalsmeer ook bedreigd door talrijke andere meren en poelen. Daar hadden de Aalsmeerders zelf schuld aan door het ongebreideld turfsteken tot wel een diepte van vijf meter. De uitgeveende gronden vulden zich met water en door het voortdurend kabbelen, klotsen en beuken van het water tegen de grotendeels onbeschermde oevers ging veel land verloren en ontstonden er grote meren als de Westeinderplassen, het Stommeer, het Hornmeer, de Oosteinderpoel en het Noorder- en Zuiderlegmeer. In 1640 beschikten de Aalsmeerders nog over 1590 morgen cultuurgrond. In 1840 was daar nog maar 550 morgen van over, die bovendien in de wintermaanden merendeels onder water stonden. Alleen grootschalige droogleggingen konden voorkomen dat nog meer buurtschappen als Westeinde, Geilwijk, Rijshorn , Rijsdrecht en de Ruigenhoek door het water zouden worden verzwolgen. In 1650 al werd het Stommeer drooggelegd, in 1674 het Hornmeer, in 1858 de Schinkelpolder, in 1867 de Oosteinderpoel en tussen 1877 en 1883 de beide Legmeren.

De droogmakerijen betekenden het einde van de binnenvisserij en het turfsteken. In plaats daarvan begon een groot deel van de Aalsmeerders zich toe te leggen op het kweken van bomen en heesters en het telen van groente en fruit, vooral aardbeien, die werden afgezet in Amsterdam. Een enkeling durfde het zelfs aan om naast het telen van sperziebonen, augurken en aardbeien ook bloemen te kweken. Wederom bleek dit een gat in de markt te zijn. Dank zij de gestaag stijgende lonen vanaf het einde van de 19de eeuw vonden steeds meer stedelingen het de moeite waard wat stuivers of dubbeltjes neer te leggen voor een bos bloemen of een plant. Massaal schakelden de Aalsmeerders nu over op de bloemen- en plantenteelt, eerst gewoon op de koude grond, vervolgens in kassen en tenslotte in verwarmde kassen. In het begin brachten de bloementelers hun waar zelf naar de markt of ventten die uit. In 1912 kwam daar een einde aan toen twee bloemenveilingen werden opgericht: de Centrale Aalmeerse Veiling aan de Van Cleefkade en Bloemlust aan de Oosteinderweg. In 1968 fuseerden beide veilingen tot de Verenigde Bloemenveilingen Aalsmeer. In 1972 werd een nieuw veilinggebouw aan de Legmeerdijk in gebruik genomen. In 1999 werd het gebouw uitgebreid, omdat vanwege het snel groeiende en nabij gelegen Schiphol Aalsmeer zich had kunnen ontwikkelen tot het epicentrum van de bloemenhandel. Met een oppervlakte van bijna één miljoen vierkante meter mag het zich het grootste handelsgebouw ter wereld noemen. Na de verhuizing naar de Legmeerdijk werd het vrijstaande complex aan de Van Cleefkade in gebruik genomen door Joop van den Ende voor het opnemen van zijn televisieprogramma’s.

Het succes van Aalsmeer vertaalde zich in een groeiend inwonertal. In 1815 telde de gemeente – inmiddels verenigd met Kudelstaart en Kalslagen – 1760 inwoners, in 1900 bijna 5000 en in 1950 12.500. Thans telt de gemeente bijna 30.000 inwoners. Het water zijn de Aalsmeerders echter nog niet kwijt want bijna eenderde van de ruim 34 vierkante kilometer die de gemeente beslaat, bestaat uit water. Gelukkig maar, want daardoor heeft Aalsmeer op het gebied van waterrecreatie veel te bieden.