Noord-Hollands Archief

> Stadsrecht van Haarlem


Het Haarlemse Stadsrecht bestaat uit twee delen: het Grote Stadsrecht (rechts) en het Kleine Stadsrecht (boven).

  

 

Het Stadsrecht van Haarlem (1245) / door Florence Koorn

Echt of vals?

De eerste die zich serieus met het Haarlemse stadsrecht heeft beziggehouden was Huizinga, die ten tijde van zijn onderzoekingen leraar geschiedenis aan de gemeentelijke HBS aan de Jacobijnestraat was. In 1905 en 1906 publiceerde hij in twee artikelen zijn studie 'De opkomst van Haarlem'. Hij was de eerste die vaststelde dat veel bepalingen in het stadsrecht ontleend waren aan het stadsrecht in Den Bosch.

Op basis van onderzoek van schrift, bezegeling en inhoud van de tekst constateerde Brandt in 1921 dat het Haarlemse stadsrecht, evenals overigens het Delftse en Alkmaarse stadsrecht, vervalsingen zouden zijn, die in of niet lang voor 1273 waren gemaakt. Haarlem zou wel een privilege in 1245 hebben gekregen, maar dit was slechts beperkt. Het zegel - in zijn tijd was slechts het zegel van het kleine stadsrecht bekend, het grote was van het stadsrecht afgeraakt en blijkbaar niet te vinden op het archief - was een nabootsing. Deze conclusies werden in 1923 door Huizinga in bloemrijke taal bestreden. Brandts leermeester Oppermann, die de oorkondenleer, het kritisch bestuderen van oorkonden naar zowel uitwendige kenmerken als schrift en bezegeling, als naar de tekst zelf, in Nederland had geintroduceerd, schaarde zich achter Brandt, hoewel hij sommige conclusies van zijn leerling van de hand wees.

Meilink bevestigde in 1944 de echtheid van de oorkonden en ontdekte ook de hand van de grafelijke klerk meester Daniel in het dictaat.  Ook Camps bevestigde in zijn dissertatie uit 1948 de echtheid van het Haarlemse stadsrecht. Hij ging er van uit dat meester Daniel de Haarlemse oorkonde zelf in het net had geschreven. Hij heeft bovendien de relatie met het Bossche stadsrecht, dat niet in origineel is overgeleverd, beter aangegeven. Er bleek meer aan het Bossche recht ontleend te zijn dan men dacht.

Origineel of schijnbaar origineel

Thans gaan de meeste historici ervan uit dat het stadsrecht van Haarlem echt is. Kruisheer, de bezorger van het nieuwe oorkondenboek Holland en Zeeland, nam in zijn proefschrift over de kanselarij van de graven van Holland het stadsrecht op, nam het ook in het oorkondenboek op en wijdde bovendien een afzonderlijke studie aan het ontstaan van de Haarlemse stadsrechtoorkonde en van de verwante oorkonden voor Delft en Alkmaar. Hij concludeert dat de hand die de twee oorkonden voor Haarlem schreef in geen enkel ander stuk dat was uitgevaardigd door de graven van Holland voorkomt. Zoals zoveel grafelijke oorkonden zal het stadsrecht een zogenaamde destinatarisoorkonde geweest zijn, die werd geschreven door of voor rekening van de belanghebbende, die mogelijk zelfs de was voor het zegel moest leveren. In die tijd was er namelijk nog geen sprake van een grafelijke kanselarij.

Geheel onbestreden is Kruisheer niet. In 1967 was Camps teruggekomen op zijn conclusie dat het Haarlemse stadsrecht een origineel was. Het huidige stadsrecht is volgens hem een schijnbaar origineel, een laat-15e-eeuwse kopie van het origineel dat toen in het ongerede was geraakt, een mening die hij in 1989 opnieuw verwoordde. In tegenstelling tot Brandt en Oppermann meent hij dat er in 1245 wel een stadsrecht van gelijke inhoud als de huidige kopie is uitgevaardigd. Hij baseert zich op een analyse van het schrift: de vorming van de letters en de manier waarop woorden worden afgekort. Hiernaast meent hij dat de zegelafdrukken niet van een zegelstempel afkomstig zijn, maar van een mal die van de originele zegels getrokken was.

Sinds deze publikaties is in 1993 een nieuw gegeven aan het licht gekomen. Burgers heeft in zijn onderzoek naar 13e-eeuwse Hollandse handen vastgesteld dat het handschrift kenmerken heeft, die alleen in stukken die in de abdij Egmond werden geschreven voorkomen. Abt Lubbert van Egmond was bij de plechtige uitvaardiging van de oorkonde aanwezig, hij kan dus best een van zijn monniken hebben meegenomen om het stuk in het net te schrijven.

Uiterlijk

Het stadsrecht van Haarlem bestaat uit twee delen. Dit is bijzonder, maar niet geheel uniek. Het stadsrecht van Leuven bestaat uit drie delen. Brandt en Oppermann vonden dit echter uitermate verdacht. De verklaring hiervoor, reeds door Huizinga geopperd en door Kruisheer uitgewerkt, is dat er zoveel aan het perkament moest worden toevertrouwd, dat er geen ruimte genoeg was. Men nam toen het blijkbaar enige geprepareerde stuk perkament dat voorhanden was. Dit was eigenlijk bestemd voor een boek. Er waren al gaatjes geprikt in het perkament om lijnen te trekken, dwars op de huidige tekst. In het perkament is een gerepareerde scheur te zien, deze scheur en de reparatie stammen al uit de tijd voordat het perkament beschreven werd. Perkament was kostbaar, dus als er iets mis mee was, gooide men het niet weg. Het kon altijd van pas komen voor tweederangs manuscripten.

Beide stukken hebben een aanhef, plechtige slotformulering met de namen van getuigen, en een zegel. Het 'kleine' stadsrecht is dus net zo behandeld als het grote, anders zou het ook niet rechtsgeldig kunnen zijn. Beide zegels zijn bevestigd met strengen zijde. Het zegel van het grote stadsrecht is een tijd los van het charter bewaard en tussen 1948 en 1967 weer bevestigd, (mogelijk in 1966 ter gelegenheid van een tentoonstelling) waarbij nog weer later oranjegele draden zijn toegevoegd ter versteviging. Het zegel behoort tot het type van de jachtzegels. 

Tot standkoming van de tekst

Huizinga heeft voor het eerst aangetoond dat veel bepalingen van het Haarlemse stadsrecht teruggaan op het stadsrecht van 's-Hertogenbosch. Later is gebleken dat meer dan Huizinga dacht, ongeveer driekwart van alle bepalingen aan het Bossche stadsrecht ontleend zijn. Dergelijke stadsrechtfiliaties zijn niet uitzonderlijk. Toch zijn er ook afwijkende bepalingen, de regels over het Bossche erfrecht kon men bijvoorbeeld niet overnemen, omdat de al bestaande gebruiken in Haarlem anders waren.

Bij het in het net schrijven van het Haarlemse stadsrecht bediende de schrijver zich van een concept. Dit is niet bewaard, maar volgens Kruisheer zijn er wel afschriften van dit concept in het stadsarchief bewaard. Een afschrift van dit concept staat in het 'ruige boek', het register van privileges en keuren van de stad, dat uit 1412-1414 dateert. Dat het hier om een afschrift van een concept, niet om een afschrift van het stadsrecht zoals dit is uitgevaardigd is gaat, baseert hij onder meer op het feit dat de tekst in het 'ruige boek' het stadsrecht weergeeft alsof het slechts in één oorkonde is vervat. Dat het concept door de Haarlemmers bewaard is, en niet door de graaf, brengt Kruisheer tot de conclusie dat zij zelf met het concept bij de graaf waren gekomen, dat in Haarlem was samengesteld uit Bossche bepalingen en eigen bepalingen. Ook deze visie wordt bestreden door Camps, die wel een concept veronderstelt, maar dan een die uitsluitend in het archief van de graven van Holland en Zeeland sporen heeft nagelaten. Hij concludeert dat het stadsrecht, dat volgens hem helemaal niet zulke gunstige bepalingen had, gewoon door de graaf aan de Haarlemmers is opgelegd.

Zo staan er nu dus twee visies tegenover elkaar, die van een jonge, ambitieuze graaf, die al die stedelijke gemeenschappen in zijn gebied goed wilde reglementeren, en die van een jonge, groeiende nederzetting, waar de burgers het initiatief namen tot een goede regeling voor de juridische verhoudingen van de burgers onderling en met anderen.

Inhoud, wat werd er nu precies vastgelegd?

Wat wij tegenwoordig 'stadsrechten' noemen, zijn in feite stukken van zeer uiteenlopende inhoud en lengte. Het stadsrecht van Haarlem is, hoewel uitgebreid, zeker geen bron die ons gemakkelijk een kijkje in velerlei facetten van het stedelijk leven biedt. Zoals vrijwel alle grafelijke oorkonden in die tijd is ook het stadsrecht geschreven in het Latijn. Dit was in die tijd de taal om belangrijke zaken vast te leggen. Het was niet meer het klassieke Latijn, sommige grammaticale constructies zijn anders. Bovendien moest men nieuwe begrippen die in de klassieke oudheid niet bestonden vastleggen, waarvoor men een Latijns woord een nieuwe betekenis gaf, een woord in de volkstaal verlatijnste of als het echt niet anders kon het woord in de volkstaal overnam. Dit komt in het stadsrecht een keer voor, als men het heeft over 'vulgo geweddehant', ofwel: in de volkstaal geweddehant, wat dan weer betekent door handslag bekrachtigd. Hieruit blijkt al dat ook het middelnederlands de lezer problemen op kan leveren, die overigens helaas niet allemaal met een woordenboek op te lossen zijn. Want wat er nu precies met al die bepalingen in het stadsrecht bedoeld wordt, vergt een uitvoerige rechtshistorische studie, die thans helaas nog niet voorhanden is. Aangezien de leden van het middeleeuwse stadsbestuur van Haarlem zelf ook in de regel geen Latijn konden lezen, zijn er al vroeg middelnederlandse vertalingen van het stadsrecht gemaakt, een van die vertalingen is te vinden in het al genoemde 'ruige boek', waar onder elke Latijnse bepaling de vertaling geschreven is.

Wat voor soort bepalingen biedt het stadsrecht nu? Over handel en nijverheid wordt weinig geregeld. Wel is bepaald dat de poorters ten tijde van het zaaien en het oogsten telkens 40 dagen buiten de stad mogen verblijven, dus dat de stedelingen nog stevige agrarische wortels konden hebben. De stedelijke gemeenschap krijgt het privilege van tolvrijdom van de grafelijke tollen in zijn gehele territorium, maar ook verplichtingen. Er moeten vastgestelde jaarlijkse bijdragen aan de grafelijke schatkist geleverd worden, bij oorlog moeten poorters het grafelijke leger versterken en bij bijzondere gebeurtenissen als huwelijk of ridderslag van een lid van de grafelijke familie moet de stad ook een bijdrage leveren. Veel van de 68 bepalingen, bijna de helft, gaan over wat wij nu civiel procesrecht zouden noemen. Sommige bepalingen doen ons archaïsch aan. Bij schuldzaken kan de schuldenaar zich onder bepaalde omstandigheden zuiveren door een eed. Legt hij die niet vlekkeloos af, dan heeft hij het proces verloren. Een fout woord kon iemand toen fataal zijn. De lengte van de rechtsgang wordt beperkt, vreemdelingen, 'gasten', die poorters alleen maar voor de Haarlemse schepenbank kunnen aanklagen, hebben recht op 'snelrecht'. Poorters mochten door niemand verplicht worden het conflict te beslechten door een gerechtelijk tweegevecht, wat het koopmanschap natuurlijk tot een hachelijk beroep zou maken.

Ongeveer een-derde van de bepalingen gaat over de openbare orde, en meer in het bijzonder over het reguleren van geweld en het stellen van boeten op allerlei misdrijven.
Vrouwen komen in vier bepalingen voor, als personen die net zo goed als mannen onroerend goed kunnen erven, als commerciële baksters, brouwsters en handelaars in gesponnen wol of linnen (waarbij de aansprakelijkheid van hun echtgenoten voor hun reilen en zijlen wordt beperkt) en in twee bepalingen als potentiële slachtoffers van verkrachting. Een verkrachter krijgt de doodstraf als het slachtoffer met zeven 'getuigen', mannen of vrouwen, bezweert dat zij door hem verkracht is. Bij die getuigen zullen we niet moeten denken aan mensen die de verkrachting daadwerkelijk hadden aanschouwd, maar aan mensen die ervan overtuigd waren dat het slachtoffer de waarheid sprak.

Florence Koorn, januari 1995

In 2001 verscheen een uitgebreid proefschrift over het Stadsrecht van Haarlem: Het Haarlemse stadsrecht (1245) : inleidende beschouwingen, tekst, vertaling en artikelsgewijs commentaar / door C.L. Hoogewerf. - Amsterdam, 2001.